I hate when recruiters leave candidates hanging after promising quick feedback.
Ik haat het als recruiters kandidaten laten bungelen na beloofde snelle feedback.
I hate when the boss calls right after I clock out.
Ik haat het als de baas belt net nadat ik heb uitgeklokt.
I hate how he puts his teammates down after every lost game.
Ik haat hoe hij zijn teamgenoten afkraakt na elke verloren wedstrijd.
We should turn our backs on hate and focus on cooperation instead.
We moeten de haat de rug toekeren en ons richten op samenwerking.
I hate it when my hair frizzes up during a humid spring day.
Ik haat het als mijn haar gaat pluizen op een vochtige lentedag.
She felt a duality in her emotions, torn between love and hate.
Ze voelde een innerlijke tweestrijd, verscheurd tussen liefde en haat.
I hate the way your friends put you down in front of everyone.
Ik haat hoe je vrienden je voor iedereen staan te kleineren.
I hate how she gets catty about people the moment they leave.
Ik haat hoe ze meteen op mensen gaat afgeven zodra ze weg zijn.
I hate it when people make fun of my little brother at school.
Ik haat het wanneer mensen op school de spot drijven met mijn broertje.
I hate it when neighbors nose about in our garden shed at night.
Ik haat het als buren's nachts in onze tuinschuur rondneuzen.
I hate to hear the clock tick when nothing exciting is happening.
Ik haat het als de tijd maar voortsleept en er niets spannends gebeurt.
He accepted sleepless nights and online hate as the price of fame.
Hij accepteerde slapeloze nachten en online haat als de prijs van de roem.
I hate doing the books, but the shop would collapse without it.
Ik haat de boekhouding doen, maar zonder dat zou de winkel instorten.